Skip to main content.

De mythe van de omgekeerde transferts (8) - De drie belastingen (12-07-07)


De rechtstreekse of directe belastingen vormden het fundament van een fiscaal systeem dat steunde op de idee van de gelijkheid: elk betaalde proportioneel zijn deel. Wie voldoende opbracht was respectabel. De rest was gepeupel.

Essentieel was dat de inkomenstrekker bij de fiscus met naam en toenaam bekend was. De onrechtstreekse belastingen daarentegen waren heffingen die werden betaald door onbekende consumenten.

Alleen directe belastingen kwamen in aanmerking voor het behalen van de kiescijns van minimaal 42,3 F. De opbrengst van de directe belastingen zou dus een helder en betrouwbaar beeld moeten geven van de fiscale draagkracht en van de inkomens van iedere regio. De lezer weet dat de werkelijkheid er anders uitzag. Wie rekening wil houden met de realiteit laat eerst de cijfers spreken.

In de periode 1832-1912 brachten de drie directe belastingen 255 miljoen goudfrank meer op in het noorden dan in het zuiden! Gaandeweg is het aandeel van Vlaanderen wel gedaald, terwijl dat van WalloniŽ stabiel bleef. De groeiende ontvangsten in Brabant verklaren de veranderde verhoudingen. Als ook nog rekening wordt gehouden met de demografische verschuivingen, wordt het beeld scherper gesteld.
Lees meer → ^ TOP

Share/Save/Bookmark - Gepost op 12-07-07 om 10:26:00 - - item printen - item mailen

De mythe van de omgekeerde transferts (7) - De personele belasting (11-07-07)


In 1822 was de wetgever goed geÔnspireerd bij het ontwerpen van een weeldebelasting, die als aanvulling en correctie op de grond- en bedrijfsbelasting werd gezien. De grondslagen waren goed gekozen. In principe waren ze tevens vrij eenvoudig te controleren, zonder dat de burger al te veel werd lastig gevallen. Zowat 90% van de opbrengst verwees naar de kwaliteit van de huisvesting en wie niet in een `fatsoenlijk' huis woonde, werd door de fiscus zelfs van de rol geweerd.
Lees meer → ^ TOP

Share/Save/Bookmark - Gepost op 11-07-07 om 15:28:26 - - item printen - item mailen

De mythe van de omgekeerde transferts (6) - De patentbelasting (10-07-07)


(...) Seraing bleef tot dan toe betalen als dorp, ook al was het bevolkingscijfer in 1858 opgelopen tot mťťr dan 18.000. Het patentrecht bracht er in 1859 5.453 F op. Wel moet worden opgemerkt dat in dat bedrag niet de lasten zijn opgenomen van de ambulante handelaars, binnenschippers en nv's. Eeklo, het armste stadje van Oost-Vlaanderen bracht met 8.831 inwoners 5.214 F patent op. In Wetteren, 9161 inwoners, werd 4.454 F patent betaald, in Zele met 11.830 inwoners 5.332 F.

Pas in 1873 werd de rangindeling van de gemeenten aan de hand van de resultaten van de tienjaarlijkse volkstellingen opnieuw aan de realiteit aangepast. (...)

Dat in de Vlaamse provincies relatief veel bedrijfsbelasting (patent) werd opgehaald en in de Waalse verrassend weinig, had niets te maken met de economische krachtsverhoudingen maar alles met de inertie van de Belgische overheid.

Tijdens de Hollandse periode werd talloze keren meegedeeld dat de wet van 1819 tijdelijk was en dat er werd gewerkt aan een betere regeling. Er is enkel een tariefverlaging in 1823 doorgevoerd.

Na 1830 was er van een echte herziening zelfs geen sprake meer. Het systeem van 1819 bleef behouden en werd met de tijd meer en meer lachwekkend. Precies in de eeuw van de industriŽle revolutie, die toen vooral in WalloniŽ te situeren was, bleef de oude bedrijfsbelasting vrijwel onaangeroerd bestaan. Voor de nieuwe en vooral grote bedrijven was dat een voordeel, ze ontsnapten aan een redelijke belasting.

(HANNES, J., De mythe van de omgekeerde transferts, Roularta Books Roeselare, 2007, pag. 53)

(...)

Uitbaters van biljartzalen werden eerder zwaar belast. Aan een mooie zaal met 5 tafels hing in een stad als Gent of Brussel al vlug een patent van 370 F, ongeveer het bedrag dat met drie hoogovens werd bereikt.

(HANNES, J., De mythe van de omgekeerde transferts, Roularta Books Roeselare, 2007, pag. 43) ^ TOP

Share/Save/Bookmark - Gepost op 10-07-07 om 22:43:44 - - item printen - item mailen

De mythe van de omgekeerde transferts (5) - De grondbelasting (09-07-07)


Twee keer werd de grondbelasting aan enige controle onderworpen. In 1835 bleek dat de herziening op basis van de pacht- en huurprijzen van de jaren 1812-1826 de Vlaamse provincies een heel stevige vermindering van de grondlasten opleverde en dat elders veel meer lasten moesten worden gedragen. Dertig jaar later werd de oefening herhaald en na onderzoek van de prijzen der jaren 1849-1858 was het resultaat weer gunstig voor Vlaanderen, dat duidelijk vele jaren overbelast was geweest.

Dan heeft het parlement het licht uitgedaan en iedere herziening van de kadastrale inkomens geweigerd. Precies in de tijd van de industriŽle expansie, vooral in het zuiden van het land, was de inertie van de overheid op fiscaal vlak volmaakt. Dat was zonder twijfel in het nadeel van het Vlaamse landsgedeelte.

(HANNES, J., De mythe van de omgekeerde transferts, Roularta Books Roeselare, 2007, pag. 35) ^ TOP

Share/Save/Bookmark - Gepost op 09-07-07 om 22:22:00 - - item printen - item mailen