De mythe van de omgekeerde transferts (6) - De patentbelasting

(...) Seraing bleef tot dan toe betalen als dorp, ook al was het bevolkingscijfer in 1858 opgelopen tot méér dan 18.000. Het patentrecht bracht er in 1859 5.453 F op. Wel moet worden opgemerkt dat in dat bedrag niet de lasten zijn opgenomen van de ambulante handelaars, binnenschippers en nv's. Eeklo, het armste stadje van Oost-Vlaanderen bracht met 8.831 inwoners 5.214 F patent op. In Wetteren, 9161 inwoners, werd 4.454 F patent betaald, in Zele met 11.830 inwoners 5.332 F.

Pas in 1873 werd de rangindeling van de gemeenten aan de hand van de resultaten van de tienjaarlijkse volkstellingen opnieuw aan de realiteit aangepast. (...)

Dat in de Vlaamse provincies relatief veel bedrijfsbelasting (patent) werd opgehaald en in de Waalse verrassend weinig, had niets te maken met de economische krachtsverhoudingen maar alles met de inertie van de Belgische overheid.

Tijdens de Hollandse periode werd talloze keren meegedeeld dat de wet van 1819 tijdelijk was en dat er werd gewerkt aan een betere regeling. Er is enkel een tariefverlaging in 1823 doorgevoerd.

Na 1830 was er van een echte herziening zelfs geen sprake meer. Het systeem van 1819 bleef behouden en werd met de tijd meer en meer lachwekkend. Precies in de eeuw van de industriële revolutie, die toen vooral in Wallonië te situeren was, bleef de oude bedrijfsbelasting vrijwel onaangeroerd bestaan. Voor de nieuwe en vooral grote bedrijven was dat een voordeel, ze ontsnapten aan een redelijke belasting.

(HANNES, J., De mythe van de omgekeerde transferts, Roularta Books Roeselare, 2007, pag. 53)

(...)

Uitbaters van biljartzalen werden eerder zwaar belast. Aan een mooie zaal met 5 tafels hing in een stad als Gent of Brussel al vlug een patent van 370 F, ongeveer het bedrag dat met drie hoogovens werd bereikt.

(HANNES, J., De mythe van de omgekeerde transferts, Roularta Books Roeselare, 2007, pag. 43)

posted at 22:43:44 on 07/10/07 by francis - Category: Fiscaliteit - item printen - item mailen